Het was een flamboyante lentedag met gequeel van knobbelzwanen, pelikanen, lepelaars of andere gevleugelde lieden. Dit maakt Mozart overigens nog geen vogel. In de hoek van mijn gezichtsveld deed een hemellichaam zijn uiterste best om dat prakje hier op aarde wat op te warmen. Ik moet eerlijk zeggen dat dit hem niet onverdienstelijk afging.

Mensen worden er over het algemeen ook een stukje gelukkiger van. Allerlei geuren zweven door de lucht die tijdens de winter in geen velden of wegen te bekennen zijn. Op en rondom stations hangt de indringende geur van teer, afkomstig van de dwarsliggers die ons spoorwegnet te allen tijde in bedwang houdt. We spreken hier over een biel. Diegene die van mening is dat ik in de voorgaande zin de letter s ben vergeten, slaat de plank wel degelijk mis.

De teloorgang van de biel (en het risico van taalgrappen op perrons)

Het is helaas uit menig woordenboek verdwenen, maar de oorspronkelijke benaming voor deze staaf hout was toch echt biel. Men spreekt dan ook van een biel en meerdere biels. De meervoudsvorm bielzen is in deze context dus de grootste waanzin. Helaas heeft de verloedering van onze taal ertoe bijgedragen dat de dubbele meervoudsvorm nu als een enkele wordt beschouwd.

En dat is jammer.

Mede omdat ‘de biel’ fonetisch gezien natuurlijk fantastisch is. Je kunt bijvoorbeeld tegen een wildvreemde passant op het station de opmerking plaatsen: ‘Kijk daar, de biel’, wijzend over de rand van het perron richting de houten liggers die het spoor bij elkaar houden. Zorg er wel voor dat deze passant geen zwaarlijvige met inkt beschilderde chopperchauffeur is. De kans is dan redelijk aanwezig dat je de komende tijd je boterhammen zonder voortanden naar binnen moet schuiven, of dat het vloeibaar beter tot je te nemen is.